ECLI:NL:RVS:2018:2766
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging wegens gebrek aan specialisatie personen- en familierecht
Appellante verzocht om een toevoeging voor rechtsbijstand om een bodemprocedure te starten tegen haar ex-man over onterecht ingehouden PGB-gelden voor hun minderjarige zoon. De raad wees de aanvraag af omdat de advocaat van appellante niet was ingeschreven voor het specialisme personen- en familierecht, wat volgens de werkinstructies vereist is voor dergelijke geschillen gecodeerd onder P100.
De rechtbank oordeelde dat het geschil terecht onder personen- en familierecht valt vanwege de directe relatie met andere familierechtelijke geschillen tussen de ex-partners en het belang van gespecialiseerde kennis en de-escalatie. Ook werd geoordeeld dat het recht op een advocaatkeuze niet absoluut is en dat de eis van specialisatie niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het geschil over onverschuldigde betalingen en fraude losstaat van het personen- en familierecht en dat zij onterecht wordt beperkt in haar keuze van advocaat. De Afdeling bevestigde echter dat het rechtsbelang bepalend is en dat de eis van specialisatie gerechtvaardigd is om een effectieve verdediging te waarborgen.
De Afdeling concludeerde dat geen schending is van artikel 6 en Pro 13 EVRM en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging wordt bevestigd.