ECLI:NL:RVS:2018:2769
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellant vroeg op 22 maart 2016 een urgentieverklaring aan vanwege haar schrijnende woonsituatie, waarbij zij zonder eigen woning afwisselend bij vrienden verbleef. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag op 29 juni 2016 af, omdat de situatie niet als levensontwrichtend werd beoordeeld en appellant inwoonde bij anderen.
Na een bezwaarprocedure handhaafde het college het besluit op 9 februari 2017. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant op 4 augustus 2017 ongegrond, stellende dat appellant geen urgent huisvestingsprobleem had omdat zij inwoonde bij vrienden en dat de medische adviezen van de GGD-arts geen aanleiding gaven tot het toepassen van de hardheidsclausule.
In hoger beroep stelde appellant dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar medische situatie, waaronder een depressie, en dat nader advies van de GGD-arts nodig was. De Raad van State oordeelde dat het college terecht de adviezen van de GGD-arts had gevolgd en dat geen sprake was van ernstige medische problematiek die urgentie rechtvaardigde.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank en het college dat appellant geen urgentieverklaring toekomt, mede gelet op het strakke beleid vanwege woningmarkttekorten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van het college Amsterdam om een urgentieverklaring toe te kennen aan appellant.