ECLI:NL:RVS:2018:2840
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging omgevingsvergunning voor recreatieve appartementen wegens ontbreken afwijkingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn verleende op 20 mei 2016 een omgevingsvergunning aan belanghebbende voor het realiseren van twee appartementen voor recreatieve verhuur in een woonboerderij te Bronneger. Appellanten, buren van het perceel, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege mogelijke aantasting van hun leefomgeving en woongenot. Het college wees het bezwaar op 5 december 2016 af, waarna appellanten beroep instelden bij de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank vernietigde het besluit van 5 december 2016 vanwege onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Hiertegen stelden appellanten hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank en het college ten onrechte hadden aangenomen dat artikel 43.2.1 van de regels van de beheersverordening een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid biedt voor het recreatief gebruik. De beheersverordening kent geen afwijkingsbevoegdheid voor recreatief gebruik binnen de bestemming 'Wonen'. Hierdoor ontbrak een wettelijke grondslag voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het besluit van 6 september 2017, waarin het college het eerdere besluit herzag, werd eveneens vernietigd.
De Afdeling bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van appellanten, waarbij het college moet beoordelen of de vergunning op een andere grondslag kan worden verleend of moet worden geweigerd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten. Tegen het nieuwe besluit kan alleen beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor recreatieve appartementen is vernietigd wegens ontbreken van een afwijkingsbevoegdheid in de beheersverordening.