ECLI:NL:RVS:2018:2852
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- J.J. van Eck
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring na detentie wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellant had een urgentieverklaring aangevraagd na vrijlating uit detentie, omdat hij zijn woning was kwijtgeraakt en bij een stichting verbleef met een aflopende opvang. Het college wees de aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, omdat appellant geen urgent huisvestingsprobleem zou hebben en het probleem door eigen verwijtbaar handelen was veroorzaakt.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit maar liet de rechtsgevolgen in stand, oordelend dat appellant een kamer had en geen medische urgentie bestond. Appellant stelde dat hij feitelijk dakloos was en dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid handelde door ex nunc te toetsen.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank bevoegd was de rechtsgevolgen in stand te laten en dat het verblijf bij de stichting geen urgent huisvestingsprobleem uitsluit. De medische situatie was niet zodanig ernstig dat een medische urgentie of toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.