ECLI:NL:RVS:2018:2980
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit stillegging verbouwing woonruimte te Groningen
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen legde op 27 oktober 2016 een last onder dwangsom op aan appellant om alle werkzaamheden te staken die gericht zijn op het realiseren van een zelfstandige woonruimte op een perceel in Groningen. Dit omdat de woonstudio niet voldeed aan de minimale gebruiksoppervlakte van 50 m2 zoals voorgeschreven in het bestemmingsplan.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de benedenverdieping reeds een zelfstandige wooneenheid was en dat het college onvoldoende bewijs had geleverd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht handhavend optrad omdat de werkzaamheden gericht waren op het creëren van een zelfstandige woonruimte die niet voldeed aan de planregels. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat er al sprake was van een zelfstandige wooneenheid. Ook was er geen concreet zicht op legalisatie omdat het college geen vergunning wilde verlenen voor de afwijking van de minimale oppervlakte.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de last onder dwangsom tot stillegging van de werkzaamheden bevestigd.