ECLI:NL:RVS:2018:3006
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij verlenging verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris heeft op 2 augustus 2016 het verzoek van de vreemdeling om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 17 november 2016 door de staatssecretaris ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 24 juli 2018 gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten. De vreemdeling verzocht eveneens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was, omdat het oordeel van de rechtbank naar voorlopig oordeel in stand zal blijven.
Daarnaast wees de voorzieningenrechter het verzoek van de vreemdeling af, omdat de staatssecretaris op grond van het vonnis verplicht is binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en uitzetting tot vier weken na dat besluit verboden is. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €501,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening van de staatssecretaris en de vreemdeling worden afgewezen.