ECLI:NL:RVS:2018:3006

Raad van State

Datum uitspraak
17 september 2018
Publicatiedatum
18 september 2018
Zaaknummer
201806938/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij verlenging verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De staatssecretaris heeft op 2 augustus 2016 het verzoek van de vreemdeling om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 17 november 2016 door de staatssecretaris ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 24 juli 2018 gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten. De vreemdeling verzocht eveneens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was, omdat het oordeel van de rechtbank naar voorlopig oordeel in stand zal blijven.

Daarnaast wees de voorzieningenrechter het verzoek van de vreemdeling af, omdat de staatssecretaris op grond van het vonnis verplicht is binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en uitzetting tot vier weken na dat besluit verboden is. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €501,00 aan de vreemdeling.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening van de staatssecretaris en de vreemdeling worden afgewezen.

Uitspraak

201806938/2/V3.
Datum uitspraak: 17 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 juli 2018 in zaak nr. 16/29097 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.
Bij besluit van 17 november 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de staatssecretaris en de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het verzoek van de staatssecretaris
1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
1.1.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Gelet hierop en op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
2.    Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het verzoek van de vreemdeling
3.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
3.1.    Omdat het verzoek van de staatssecretaris wordt afgewezen, dient de staatssecretaris ingevolge de aangevallen uitspraak binnen acht weken na verzending daarvan een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en is het hem verboden de vreemdeling uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Er bestaat gelet hierop geen aanleiding om vooruitlopend op dit nog te nemen besluit een voorlopige voorzienig te treffen met een strekking als door de vreemdeling verzocht. Het beroep van de vreemdeling heeft ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het nieuwe besluit, tenzij de vreemdeling daarbij onvoldoende belang heeft.
4.    Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
5.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    wijst de verzoeken af;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Nienhuis
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2018
205.