ECLI:NL:RVS:2018:3031
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing persoonlijke betalingsregeling kinderopvangtoeslag wegens grove schuld
De appellant had kinderopvangtoeslag ontvangen voor de jaren 2008 tot en met 2011, maar de Belastingdienst/Toeslagen stelde vast dat hij geen recht had op deze toeslag omdat hij niet kon aantonen dat hij kosten had gemaakt. De toeslag werd daarom op nihil gesteld en teruggevorderd. De appellant vroeg om een persoonlijke betalingsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de dienst meende dat het ontstaan van de schuld te wijten was aan grove schuld van de appellant.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, maar de appellant ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Belastingdienst onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van grove schuld. Hoewel de appellant geen sluitende administratie kon overleggen, was dat op zichzelf onvoldoende voor het oordeel van grove schuld. Nieuwe argumenten van de dienst konden niet worden meegewogen omdat die niet in het eerdere besluit waren opgenomen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het eerdere besluit en bepaalde dat de Belastingdienst opnieuw moet beoordelen of de appellant in aanmerking komt voor een persoonlijke betalingsregeling, per toeslagjaar. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de appellant.
Uitkomst: Het besluit van de Belastingdienst om de persoonlijke betalingsregeling af te wijzen wegens grove schuld wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.