ECLI:NL:RVS:2018:3034
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek persoonlijke betalingsregeling voor terugvordering toeslagen
Appellante verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om een persoonlijke betalingsregeling voor de terugbetaling van € 4.598,00 aan teveel ontvangen huur- en zorgtoeslag over 2010 en 2011. Dit verzoek werd afgewezen omdat haar echtgenoot, als toeslagpartner, over voldoende vermogen beschikt om de terugvordering te voldoen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat het vermogen van de partner betrokken mag worden bij de beoordeling.
Appellante voerde aan dat zij niet was gewezen op de terugbetalingsplicht, dat haar inkomen onvoldoende is door hoge zorgkosten, en dat het spaargeld van haar man bestemd is voor zorgkosten en oudedagsvoorziening. Ook betwistte zij de partnerstatus van haar echtgenoot omdat zij niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. De Afdeling oordeelde dat de wetgever aan het ontbreken van gemeenschap van goederen geen gevolgen verbindt en dat de partner hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugvordering.
De wet biedt geen mogelijkheid tot kwijtschelding van de terugvordering, maar wel tot uitstel van betaling via een persoonlijke betalingsregeling indien er onvoldoende vermogen is. Nu voldoende vermogen aanwezig was, mocht de Belastingdienst de regeling weigeren. Ook het argument dat het spaargeld voor andere doeleinden is bestemd, en de hoge zorgkosten, zijn niet relevant voor de beoordeling van het vermogen. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de persoonlijke betalingsregeling bevestigd.