ECLI:NL:RVS:2018:3072

Raad van State

Datum uitspraak
18 september 2018
Publicatiedatum
19 september 2018
Zaaknummer
201807419/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken naam indiener in hogerberoepschrift

De vreemdeling werd bij besluit van 18 augustus 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat op 3 september 2018 ongegrond werd verklaard. Tevens werd zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het hogerberoepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet de naam van de indiener bevatte. De vreemdeling werd bij brief in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van herstel het hoger beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De vreemdeling heeft het verzuim niet hersteld, waardoor het hoger beroep op grond van artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk is verklaard. Er bestond geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de naam van de indiener in het hogerberoepschrift.

Uitspraak

201807419/1/V3.
Datum uitspraak: 18 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2018 in zaak nr. NL18.15296 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, bevat het hogerberoepschrift de naam van de indiener.
Ingevolge artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hier van belang, wordt, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Artikel 6:6 van Pro de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten vermeld in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, of aan het eerste lid of tweede lid van dit artikel.
2.    De vreemdeling moet worden aangemerkt als de indiener van het hogerberoepschrift in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dat geschrift moet derhalve ingevolge die bepaling zijn naam bevatten. Aan dat vereiste is niet voldaan. Bij aangetekend verzonden brief van 11 september 2018 is de vreemdeling in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Hierbij is vermeld dat er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld. De vreemdeling heeft het verzuim niet hersteld.
3.    Het hoger beroep is, gelet op voormeld artikel 85, derde lid, kennelijk niet-ontvankelijk.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Annen
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2018
765.