ECLI:NL:RVS:2018:3095

Raad van State

Datum uitspraak
26 september 2018
Publicatiedatum
26 september 2018
Zaaknummer
201803498/2/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning vleeskalverenstallen

Het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel verleende op 20 december 2016 een omgevingsvergunning voor het realiseren en renoveren van vleeskalverenstallen, het aanleggen van een nieuwe inrit, plaatsen van mestzakken en het oprichten van een inrichting op een perceel te Wâlterswâld. Verzoeker, wonend aan de overzijde van het perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege vrees voor geur- en geluidsoverlast en toenemende verkeersbewegingen.

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Raad van State en tevens een voorlopige voorziening verzocht om het besluit te schorsen. Tijdens de zitting gaf belanghebbende aan dat de oude mestopslag inmiddels was gesloopt en dat de nieuwe mestopslag noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering om extra verkeersbewegingen te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van verzoeker bij schorsing minder zwaar wegen dan die van belanghebbende. De vrees voor overlast en aantasting van het landschap is onvoldoende concreet en zwaarwegend. Bovendien wordt met de afwijzing van het verzoek niet vooruitgelopen op de bodemprocedure. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

201803498/2/A1.
Datum uitspraak: 26 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Wâlterswâld, gemeente Dantumadiel,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2018 in zaak nr. 17/403 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [belanghebbende] voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen, het aanleggen van een nieuwe inrit, het plaatsen van twee dichte mestzakken en het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] te Wâlterswâld (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 14 maart 2018 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 september 2018, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door, mr. L. Sijtsma, mr. K. Arends en W.J. Osinga, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], ter zitting gehoord.
Overwegingen
1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.    [verzoeker] woont aan de overzijde van het perceel van [belanghebbende] op het perceel [locatie 2]. Hij vreest geur- en geluidsoverlast, bijvoorbeeld van toenemende verkeersbewegingen, ten gevolge van de door [belanghebbende] gewenste uitbreiding.
[belanghebbende] heeft bij een ongedateerde recente brief aan [verzoeker] laten weten dat in week 37 zal worden begonnen met bouwwerkzaamheden op zijn bedrijf. Deze werkzaamheden zullen volgens deze brief in eerste instantie bestaan uit het slopen van de huidige mestopslag en het aanleggen van een nieuwe inrit, bouwweg en mestbassin.
Volgens [verzoeker] zal het uitvoeren van de voormelde werkzaamheden en realisatie van de voorzieningen leiden tot een onomkeerbare situatie. Hij verzoekt de voorzieningenrechter het besluit van 20 december 2016 te schorsen. Met het verzoek beoogt [verzoeker] te voorkomen dat voordat de omgevingsvergunning van 20 december 2016 onherroepelijk is geworden gebruik wordt gemaakt van deze door het college verleende omgevingsvergunning.
3.    De voorzieningenrechter overweegt dat deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de door partijen in de bodemprocedure opgeworpen vragen vanwege de complexiteit daarvan. Die beantwoording dient dan ook te geschieden in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om schorsing van de aangevallen uitspraak een belangenafweging verrichten.
4.    Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft [belanghebbende] te kennen gegeven dat de oude mestopslag inmiddels is gesloopt en dat hij in ieder geval de vergunde mestopslag wenst te realiseren, omdat mest op het perceel dient te worden opgeslagen. Het ontbreken van een mestopslag zal volgens [belanghebbende] leiden tot meer verkeersbewegingen van en naar het perceel, omdat de mest in dat geval moet worden afgevoerd. Met deze extra verkeersbewegingen is in de aan het besluit van 22 december 2016 ten grondslag gelegde onderzoeken geen rekening gehouden. Voorts heeft [belanghebbende] te kennen gegeven dat het bouwen en in gebruik nemen van de vergunde bouwwerken maakt dat zijn bedrijfsvoering rendabel blijft. Met de bouw van de stallen is nog niet begonnen, maar overleg met een aannemer over het plaatsen van de stallen vindt plaats. [verzoeker] heeft ter zitting aangevoerd dat hij overlast van de vergunde extra verkeersbewegingen vreest en dat het open landschap zal worden aangetast door realisering van de vergunde bouwwerken.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aangevoerde belang van [verzoeker] bij schorsing van de omgevingsvergunning minder zwaar weegt dan het belang van [belanghebbende]. De omstandigheid dat een nieuwe mestopslag zal worden gebouwd maakt niet dat de door [verzoeker] gestelde overlast van dien aard is dat meer gewicht aan zijn belangen dient te worden toegekend. Daarbij komt dat de afvoer van mest van de inmiddels gesloopte mestopslag in het verleden ook verkeersbewegingen met zich bracht. Voor zover [verzoeker] ter zitting de vrees heeft geuit dat als verdere werkzaamheden worden verricht, de omgevingsvergunning uiteindelijk ook wel in stand zal blijven, merkt de voorzieningenrechter op dat [belanghebbende], zoals ook door hem uitdrukkelijk is erkend, geheel op eigen risico het bouwplan zal realiseren. Daarnaast wordt met het afwijzen van het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] niet vooruitgelopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure. Nu door [verzoeker] voorts niet zodanig bijzondere belangen naar voren zijn gebracht op grond waarvan tot een ander oordeel dient te worden gekomen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Vermeulen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018
700.