ECLI:NL:RVS:2018:3112
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen last onder dwangsom illegale kamergewijze verhuur
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde appellant op 26 februari 2015 een last onder dwangsom van €15.000,- op om de illegale kamergewijze verhuur van zijn woning te staken. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 2 februari 2016 ongegrond werd verklaard. Tevens werd een dwangsom verbeurd verklaard wegens het niet naleven van de last. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit en de dwangsom ongegrond op 5 januari 2017.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure stelde het college dat de invordering van de dwangsom was verjaard, dat appellant geen dwangsom had verbeurd voor een latere last en dat appellant inmiddels over een omzettingsvergunning beschikte. Appellant gaf aan geen belang meer te hebben bij een beoordeling van het hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak besloot daarop het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van belang. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, bestaande uit kosten van rechtsbijstand ter hoogte van €1.252,50.
De uitspraak werd gedaan op 26 september 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.