ECLI:NL:RVS:2018:3158
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid bezwaar tegen opvangduur vreemdeling op basis van Programma Vreemdelingen
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende aan de vreemdeling opvang op basis van het Programma Vreemdelingen voor een periode van zes maanden, van 24 februari 2016 tot 24 augustus 2016, met een feitelijke voortzetting tot 25 oktober 2016. De vreemdeling maakte bezwaar tegen de duur van deze opvang, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit van het college en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het geschil zich beperkte tot de eerste zes maanden opvang, aangezien de feitelijke voortzetting van de opvang na 24 augustus 2016 niet onderwerp van het geschil was en reeds in een andere procedure was behandeld.
De Afdeling oordeelde dat het college het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard omdat de opvangperiode van zes maanden was voltooid en de feitelijke voortzetting niet betekent dat het bezwaar gegrond was. Het hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard, het hoger beroep van het college gegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het beroep van de vreemdeling werd alsnog ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.