AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging omgevingsvergunning voor tijdelijk terras Prins Hendrikplein
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 11 augustus 2016 een omgevingsvergunning aan partij A voor het tijdelijk inrichten van een deel van het Prins Hendrikplein als terras, geldig tot 14 augustus 2020. De Stichting Bewonersorganisatie Zeeheldenkwartier 'De Groene Eland' en andere appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 3 februari 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 13 november 2017.
De Stichting stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde bij mondelinge uitspraak op 25 september 2018 het oordeel van de rechtbank. De kern van het geschil betrof de vraag of het college bevoegd was de omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in verbinding met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor.
De Afdeling oordeelde dat het college de grondslag van de aanvraag niet heeft verlaten en dat het college bevoegd was de vergunning op deze grondslag te verlenen. Tevens werd geoordeeld dat de aangevoerde bezwaren op basis van de Drank- en Horecawet, de Beleidsregels vergunning terrassen Den Haag 2016 en de Algemene Plaatselijke Verordening niet tot vernietiging van de vergunning leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Stichting wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning blijft van kracht.
Uitspraak
201710117/1/A1.
Datum uitspraak: 25 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
Stichting Bewonersorganisatie Zeeheldenkwartier "De Groene Eland", gevestigd te Den Haag, en [appellant B] en [appellant C], beiden wonend te Den Haag,
appellanten (hierna tezamen in enkelvoud: de Stichting),
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2017 in zaak nr. 17/1871 in het geding tussen:
de Stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Openbare zitting gehouden op 25 september 2018 om 14:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H.M. van Altena voorzitter
griffier: mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde
Verschenen:
de Stichting, vertegenwoordigd door mr. H.G. Boenders;
het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks;
[partij A], vertegenwoordigd door [gemachtigde],
[partij B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [persoon].
Bij besluit van 11 augustus 2016 heeft het college aan [partij A] een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk inrichten van een deel van het Prins Hendrikplein als terras voor de horeca-inrichting aan het Prins Hendrikplein 15, voor een tijdelijke termijn tot 14 augustus 2020.
Bij besluit van 3 februari 2017 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 november 2017 heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Daartoe overweegt zij het volgende.
De Stichting is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het college niet bevoegd was de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). De Stichting is wel opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor. De vraag is of het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college de grondslag van de aanvraag niet heeft verlaten. Het college heeft namelijk beslist op de aanvraag voor het tijdelijk inrichten van een deel van het Prins Hendrikplein als terras. Het is aan het college om de aanvraag te beoordelen en om het juiste wetsartikel aan het besluit ten grondslag te leggen. Het college dient in bezwaar een volledige heroverweging te maken. De Afdeling is het eens met de rechtbank dat artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor in dit geval grondslag biedt om een omgevingsvergunning te verlenen. In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 2 februari 2017 is vermeld dat het college zich op het standpunt stelt dat, indien het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor niet mogelijk is, met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor een grondslag is gegeven voor het afwijken van het bestemmingsplan. Dit advies heeft het college overgenomen bij het besluit op bezwaar van 3 februari 2017 waarbij het college het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning in stand heeft gelaten.
Verder sluit de Afdeling aan bij de overwegingen en conclusie van de rechtbank dat het aangevoerde over de Drank- en Horecawet, de Beleidsregels vergunning terrassen Den Haag 2016 of de Algemene Plaatselijke Verordening niet kan leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. Het hoger beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.