ECLI:NL:RVS:2018:3174
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsband met biologische vader
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep van drie minderjarige vreemdelingen uit Ghana en hun vermeende biologische vader (de referent) tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf werd toegewezen.
De vreemdelingen zijn in Ghana geboren en beogen verblijf in Nederland bij de referent, die sinds 2011 rechtmatig in Nederland verblijft. De staatssecretaris wees de aanvragen af op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, omdat de vreemdelingen niet uit een huwelijk of vergelijkbare relatie tussen referent en de moeder zijn geboren en de feitelijke invulling van de gezinsband onvoldoende was aangetoond.
De rechtbank had het beleid uit de Vreemdelingencirculaire in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn geoordeeld, maar de Raad van State oordeelt anders. Uit jurisprudentie volgt dat enkel biologische verwantschap onvoldoende is voor een beschermenswaardig gezinsleven. De Raad stelt vast dat de referent geen bezoek heeft gebracht sinds 2002, geen objectief bewijs is geleverd van samenwoning of telefonisch contact, en dat de geldovermakingen niet aantonen dat hij in het levensonderhoud voorzag.
Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende feitelijke invulling van de gezinsband met de biologische vader.