ECLI:NL:RVS:2018:3212
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning tweede fase
Appellant diende aanvragen in voor een omgevingsvergunning eerste fase (milieu) en tweede fase (bouwen en handelen in strijd met het bestemmingsplan) voor het oprichten van een biggen- en vleesvarkensstal en een zeugenstal. Het college stelde de eerste fase-aanvraag buiten behandeling omdat een m.e.r.-beoordelingsbesluit ontbrak, en liet daarop ook de tweede fase-aanvraag buiten behandeling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de tweede fase-aanvraag eveneens buiten behandeling moest worden gesteld vanwege de onlosmakelijke samenhang van de activiteiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college de tweede fase-aanvraag niet buiten behandeling had mogen laten. Artikel 2.5 van de Wabo maakt het mogelijk om vergunningen in twee fasen aan te vragen en deze afzonderlijk te beoordelen. De onlosmakelijke samenhang van de activiteiten betekent niet dat de tweede fase-aanvraag onder de Wet milieubeheer valt of buiten behandeling moet worden gesteld. Het college had de beslissing op de tweede fase-aanvraag moeten aanhouden totdat een nieuwe eerste fase-aanvraag was ingediend of beslist.
De Afdeling vernietigt het bestreden besluit voor zover het de buitenbehandelingstelling van de tweede fase betreft en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten. Het college handelde niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ondanks vertraging in de procedure. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.