ECLI:NL:RVS:2018:3240

Raad van State

Datum uitspraak
4 oktober 2018
Publicatiedatum
5 oktober 2018
Zaaknummer
201807535/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling bij hoger beroep asielvergunning

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris op 2 augustus 2018 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond op 6 september 2018. De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij werd gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat het hoger beroep is beslist en opvang en verstrekkingen te bieden, gegrond is. Hierbij werd verwezen naar een eerdere uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3350) die als jurisprudentiële leidraad diende.

De voorzieningenrechter bepaalde daarom dat de vreemdeling niet uitgezet mag worden zolang het hoger beroep loopt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 501,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand verleend door een derde.

De uitspraak werd gedaan op 4 oktober 2018 door voorzieningenrechter C.J. Borman, in aanwezigheid van griffier J.E. Engelhart.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

201807535/2/V2.
Datum uitspraak: 4 oktober 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 september 2018 in zaak nr. NL18.14788 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.
w.g. Borman    w.g. Engelhart
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2018
643.