ECLI:NL:RVS:2018:3242

Raad van State

Datum uitspraak
4 oktober 2018
Publicatiedatum
5 oktober 2018
Zaaknummer
201807415/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 3 november 2010 door de minister voor Immigratie en Asiel werd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar dat op 13 april 2017 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat op 8 augustus 2018 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen zolang het hoger beroep loopt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de gronden van het hoger beroep nader onderzoek vereisen en dat de belangen van de vreemdeling aanleiding geven om het verzoek kennelijk gegrond te verklaren. Daarom werd bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €501,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan op 4 oktober 2018 door voorzieningenrechter G.M.H. Hoogvliet in aanwezigheid van griffier A.M.L. Hanrath. Hiermee wordt de vreemdeling tijdelijk beschermd tegen uitzetting gedurende de procedure.

Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201807415/2/V1.
Datum uitspraak: 4 oktober 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2018 in zaak nr. 17/8178 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 13 april 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.
2.    De in hoger beroep voorgedragen grieven vergen nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
3.    Het verzoek moet als kennelijk gegrond worden toegewezen.
4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Hoogvliet    w.g. Hanrath
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2018
392.