ECLI:NL:RVS:2018:3242
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 3 november 2010 door de minister voor Immigratie en Asiel werd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar dat op 13 april 2017 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat op 8 augustus 2018 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen zolang het hoger beroep loopt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de gronden van het hoger beroep nader onderzoek vereisen en dat de belangen van de vreemdeling aanleiding geven om het verzoek kennelijk gegrond te verklaren. Daarom werd bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €501,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan op 4 oktober 2018 door voorzieningenrechter G.M.H. Hoogvliet in aanwezigheid van griffier A.M.L. Hanrath. Hiermee wordt de vreemdeling tijdelijk beschermd tegen uitzetting gedurende de procedure.
Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.