ECLI:NL:RVS:2018:3253
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid beroep exploitatievergunning vaartuig
Op 29 maart 2017 diende een vennootschap een aanvraag in voor een exploitatievergunning voor een vaartuig bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college stelde de beslistermijn met acht weken uit en schortte deze later op vanwege beleidswijzigingen na een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
De appellant en een partij stelden het college op 30 juni 2017 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en vorderden een dwangsom. Vervolgens stelde appellant beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belanghebbende zou zijn.
In hoger beroep stelde appellant dat de vennootschap de indiener van het beroep was en dat de rechtbank ten onrechte niet had geïnformeerd over namens wie het beroep was ingesteld. De Raad van State oordeelde dat het beroep wel door de vennootschap onder firma was ingesteld, die belanghebbende is, en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling oordeelde echter dat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 6:12 Awb Pro voor het indienen van het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit, waardoor het beroep alsnog niet-ontvankelijk is. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte procesvertegenwoordiging en het naleven van termijnen bij bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.