ECLI:NL:RVS:2018:3284
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wob-verzoek inzake strafdossier en uitleg artikel 285b Sr
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om documenten te verkrijgen die de eventuele vervolgbaarheid van hem als belastingconsulent en gemachtigde zouden aantonen. De minister had het verzoek afgewezen omdat de gevraagde informatie reeds algemeen beschikbaar is en de Wob niet van toepassing is op stukken uit strafdossiers, waarvoor artikel 30 Wetboek Pro van Strafvordering geldt.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Appellant voerde onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op artikelen 7 en 10 EVRM en artikel 15 IVBPR Pro niet had behandeld en dat artikel 30 WvSv Pro buiten werking was gesteld, waardoor de Wob wel van toepassing zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de genoemde internationale verdragsartikelen niet relevant zijn voor het besluit en dat artikel 30 WvSv Pro een bijzondere en uitputtende regeling bevat die de Wob verdringt. Het feit dat appellant niet alle stukken uit het strafdossier kan verkrijgen via het openbaar ministerie doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 10 oktober 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het Wob-verzoek bevestigd.