ECLI:NL:RVS:2018:3319
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 november 2016 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 20 juni 2017 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 27 augustus 2018 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank uitgevoerd zou worden voordat het hoger beroep is beslist. De vreemdeling en de referent gaven een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zal blijven en dat de belangen van de staatssecretaris en de vreemdeling aanleiding geven voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd dan ook kennelijk gegrond verklaard en toegewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De staatssecretaris hoeft geen uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep is beslist.