201700965/1/R2.
Datum uitspraak: 31 januari 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
de raad van de gemeente Helmond,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Helmond - tweede gedeeltelijke herziening" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2017, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het plan voorziet in de herziening van het planologisch regime op een viertal locaties. Zo wijzigt met het plan de bestemming van een aantal gronden van "Agrarisch" naar "Natuur", wordt een gedeelte van een bestaande geluidszone gecorrigeerd en is de bestemming op een specifiek perceel herzien naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY1693). [appellant] had zijn gronden graag betrokken willen hebben bij de onderhavige herziening en heeft om die reden beroep ingesteld.
2. [appellant] betoogt dat zijn gronden ten onrechte niet in het plan zijn opgenomen. Hij betoogt dat de bestemming van zijn gronden bij het bestemmingsplan "Buitengebied Helmond" in 2010 niet had mogen worden gewijzigd van "Agrarisch" in "Natuur".
3. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de ruimtelijke samenhang tussen de gronden van [appellant] en de plandelen uit de herziening niet dusdanig is dat de raad bedoelde gronden in het plan had moeten betrekken. Het betoog faalt.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.
w.g. Kranenburg w.g. Vogel-Carprieaux
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018
458-858.