ECLI:NL:RVS:2018:3329
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verklaring van geen bezwaar ondanks erkende onrechtmatigheid
Appellant had een verklaring van geen bezwaar op veiligheidsmachtigingsniveau A, die door de minister van Defensie werd ingetrokken. Tegen dit besluit stelde appellant bezwaar en vervolgens beroep in. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de minister de onrechtmatigheid van het besluit erkende en appellant geen verzoek tot schadevergoeding had ingediend.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk belang had bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar, omdat hij ook rechtspositionele schade leed en schade op andere manieren dan via artikel 8:90 Awb Pro kon verhalen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat hoewel in beginsel belang bestaat bij beoordeling van bezwaar als schade aannemelijk is gemaakt, in dit geval het belang ontbreekt omdat de minister de onrechtmatigheid heeft erkend en appellant inmiddels een andere functie bekleedt waarvoor een andere verklaring van geen bezwaar is verleend.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; bevestiging dat appellant geen belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van bezwaar tegen intrekking verklaring van geen bezwaar.