ECLI:NL:RVS:2018:3329

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2018
Publicatiedatum
17 oktober 2018
Zaaknummer
201709923/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:90 AwbWet veiligheidsonderzoeken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verklaring van geen bezwaar ondanks erkende onrechtmatigheid

Appellant had een verklaring van geen bezwaar op veiligheidsmachtigingsniveau A, die door de minister van Defensie werd ingetrokken. Tegen dit besluit stelde appellant bezwaar en vervolgens beroep in. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de minister de onrechtmatigheid van het besluit erkende en appellant geen verzoek tot schadevergoeding had ingediend.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk belang had bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar, omdat hij ook rechtspositionele schade leed en schade op andere manieren dan via artikel 8:90 Awb Pro kon verhalen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat hoewel in beginsel belang bestaat bij beoordeling van bezwaar als schade aannemelijk is gemaakt, in dit geval het belang ontbreekt omdat de minister de onrechtmatigheid heeft erkend en appellant inmiddels een andere functie bekleedt waarvoor een andere verklaring van geen bezwaar is verleend.

De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; bevestiging dat appellant geen belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van bezwaar tegen intrekking verklaring van geen bezwaar.

Uitspraak

201709923/1/A3.
Datum uitspraak: 17 oktober 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2017 in zaak nr. 17/677 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2013 heeft de minister de aan [appellant] toegekende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken ingetrokken.
Bij besluit van 22 december 2016 heeft de minister opnieuw besloten op het door [appellant] tegen het besluit van 10 april 2013 gemaakte bezwaar en dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Baarn, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.D. de Groot en mr. A.J.M. Zwiep, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    [appellant] had een vertrouwensfunctie bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Daarvoor was een verklaring van geen bezwaar verleend op veiligheidsmachtigingsniveau A. Deze verklaring is door de minister ingetrokken. Inmiddels is aan [appellant] voor een andere functie een verklaring van geen bezwaar verleend op veiligheidsmachtigingsniveau B. De vraag is of [appellant] nog belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar tegen de intrekking van de eerdere verklaring van geen bezwaar.
Aangevallen uitspraak
2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het door [appellant] tegen het besluit van 10 april 2013 gemaakte bezwaar terecht wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister in zijn verweerschrift en ter zitting heeft erkend dat het besluit van 10 april 2013 onrechtmatig is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat procesbelang niet kan worden ontleend aan de door [appellant] gestelde schade, nu - naar de minister onbetwist heeft gesteld - [appellant] geen verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:90 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij de minister heeft ingediend.
Beoordeling van het hoger beroep
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij nog steeds belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar tegen de intrekking van de verklaring van geen bezwaar. Hij voert aan dat hij ook op andere manieren dan door middel van een verzoek als bedoeld in artikel 8:90 van Pro de Awb de door hem als gevolg van de intrekking geleden schade kan verhalen. Verder voert hij aan dat hij niet alleen financiële schade heeft geleden, maar ook schade in rechtspositionele zin, bestaande uit het niet geplaatst worden op door hem geambieerde functies.
3.1.    Indien iemand stelt dat hij schade heeft geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het in geding zijnde besluit heeft geleden, heeft diegene in beginsel belang bij inhoudelijke beoordeling van - in dit geval - zijn bezwaar. Die beoordeling kan er immers op uitlopen dat wordt geoordeeld dat het besluit onrechtmatig is. Dit is voor de betrokkene van belang om de uit het besluit voortvloeiende schade te kunnen verhalen. Het is niet noodzakelijk dat reeds een verzoek om schadevergoeding is ingediend (vergelijk de uitspraak van 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0557). Dat [appellant] geen verzoek als bedoeld in artikel 8:90 van Pro de Awb heeft ingediend en ook niet anderszins om schadevergoeding heeft verzocht, betekent dan ook op zichzelf niet dat hij geen belang heeft bij beoordeling van zijn bezwaar. Niettemin heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] geen belang meer heeft bij beoordeling van zijn bezwaar. Nu de minister heeft erkend dat de intrekking van de verklaring van geen bezwaar onrechtmatig was, valt niet in te zien welk belang [appellant] er bij heeft dat in het kader van de beoordeling van het bezwaar wordt vastgesteld dat de intrekking onrechtmatig was. Dit is niet anders indien in ogenschouw wordt genomen dat [appellant], naar hij stelt, ook schade in rechtspositionele zin heeft geleden. [appellant] vervult thans een andere functie dan de functie waarvoor hem destijds een verklaring van geen bezwaar is verleend. Een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een bepaalde functie. [appellant] heeft geen belang bij het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar voor een functie die hij niet meer bekleedt.
Het betoog faalt.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.
w.g. Borman    w.g. Herweijer
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018
640.