ECLI:NL:RVS:2018:3365
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- J.J. van Eck
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanspraak zorg- en huurtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf toeslagpartner
Appellant heeft voor 2014 verschillende toeslagen aangevraagd, waaronder zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de voorschotten voor deze toeslagen herzien en deels vastgesteld op nihil of lagere bedragen. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank het beroep van appellant grotendeels ongegrond verklaard.
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de aanspraak van appellant op zorg- en huurtoeslag over de periode maart tot en met juni 2014. De Belastingdienst/Toeslagen baseerde zich op gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waaruit bleek dat de toeslagpartner van appellant in die periode geen rechtmatig verblijf in Nederland had (verblijfscode 98).
Appellant voerde aan dat hij namens zijn toeslagpartner een aanvraag had ingediend voor een verblijfsvergunning en dat de staatssecretaris deze aanvraag had omgezet in een verzoek om uitstel van uitzetting. De Raad van State oordeelde echter dat appellant onvoldoende had aangetoond dat zijn toeslagpartner rechtmatig verbleef in de betreffende periode. Het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen was daarom terecht.
Verder stelde appellant dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en onzorgvuldig was voorbereid, maar de Raad van State verwierp dit omdat het besluit verwees naar systeembeschikkingen waarin de bedragen worden vermeld. Ook was bezwaar tegen verrekeningsbeschikkingen niet mogelijk. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geen aanspraak heeft op zorg- en huurtoeslag over maart tot en met juni 2014 wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf van zijn toeslagpartner.