ECLI:NL:RVS:2018:3507
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 augustus 2016 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit bezwaar ongegrond. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werden geen nieuwe rechtsvragen gesteld die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €501,00 en het griffierecht van €508,00 werd vastgesteld.
De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 oktober 2018. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.