ECLI:NL:RVS:2018:3510
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris heeft bij besluit vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, dat eveneens werd afgewezen. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij gedurende de behandeling van het hoger beroep als rechtmatig verblijvend zou worden beschouwd en gebruik kon maken van publieke middelen. De voorzieningenrechter overweegt dat het treffen van een dergelijke voorziening verstrekkende gevolgen heeft, omdat de vreemdeling op dat moment geen rechtmatig verblijf heeft en geen recht op uitkering bestaat.
Uit de stukken blijkt niet dat er een andere mogelijkheid is voor de vreemdeling om in zijn verblijf te voorzien dan via rechtmatig verblijf in afwachting van het hoger beroep. Desondanks weegt het belang van de staatssecretaris zwaarder dan dat van de vreemdeling. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de vreemdeling wordt niet als rechtmatig verblijvend beschouwd tijdens het hoger beroep.