ECLI:NL:RVS:2018:3551
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zorg- en huurtoeslag 2015 ondanks verrekening met openstaande vorderingen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de definitieve berekening en terugvordering van zorg- en huurtoeslag over 2015 door de Belastingdienst/Toeslagen.
De Belastingdienst had de toeslagen over 2015 definitief vastgesteld op respectievelijk € 594,00 (zorgtoeslag) en € 1.125,00 (huurtoeslag), terwijl in de voorschotbeschikking hogere bedragen waren toegekend. De teveel ontvangen voorschotten werden teruggevorderd, deels door verrekening met openstaande vorderingen uit 2013 en 2014.
De rechtbank oordeelde dat de terugvordering terecht was, maar dat niet op alle gronden was beslist met betrekking tot de rente. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en deels ongegrond en bepaalde dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten.
In het hoger beroep betoogde appellant dat de Belastingdienst geen bewijs had geleverd van de vorderingen over voorgaande jaren en dat slechte postbezorging hem in het nadeel had gebracht. De Raad van State oordeelde dat op grond van de Awir verrekening zonder rechtsmiddelen mogelijk is en dat de postbezorging in deze procedure niet relevant is. De berekening van de terugvordering en rente was niet onjuist gebleken.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.