ECLI:NL:RVS:2018:3563
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering geldbedrag consignatiekas aan executeur testamentair
Appellant, executeur testamentair van zijn overleden broer, verzocht om uitkering van een bedrag in de consignatiekas bestemd voor de erfgenaam [persoon A], die sinds 2004 onvindbaar is. De minister wees deze aanvraag af, stellende dat alleen de rechthebbende of diens gemachtigde recht heeft op uitkering volgens de Wet op de consignatie van gelden (Wcg).
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de minister bevoegd was om te beslissen, ondanks het betoog van appellant dat een directeur bevoegd zou moeten zijn. Appellant stelde dat zijn rechten als executeur testamentair boven die van de beheerder van de consignatiekas staan en dat de bijzondere omstandigheden van het beheer van de nalatenschap onvoldoende zijn meegewogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister bevoegd is via mandaat en dat de Wcg geen ruimte biedt om af te wijken van de regel dat alleen de rechthebbende of diens gemachtigde het bedrag kan ontvangen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om het geldbedrag uit de consignatiekas aan appellant uit te keren is bevestigd.