ECLI:NL:RVS:2018:358
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris wees op 27 oktober 2016 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:5 Awb Pro, met name het ontbreken van de gronden van het bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat hij de herstelverzuimbrief van 2 december 2016, waarin de vreemdeling werd verzocht het bezwaar aan te vullen, wel degelijk naar het juiste adres had verzonden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris aannemelijk had gemaakt dat de brief op 5 december 2016 naar de gemachtigde van de vreemdeling was verzonden en dat de vreemdeling geen feiten had gesteld die ontvangst redelijkerwijs konden betwijfelen.
Daarmee was de niet-ontvankelijkverklaring terecht en werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.