ECLI:NL:RVS:2018:3582
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling procesbelang bij weigering verblijfsvergunning asiel naast verblijfsvergunning regulier
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 1 september 2017 werd afgewezen. Tegelijkertijd werd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. De vreemdeling stelde beroep in tegen het afwijzingsbesluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, omdat de vreemdeling volgens de rechtbank geen belang had zolang hij de reguliere vergunning had.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank het systeem van de Vreemdelingenwet 2000 onjuist had toegepast en dat hij wel degelijk belang had bij de procedure over de asielaanvraag, omdat het ging om het niet verlenen van een asielvergunning en niet om een verkeerde reguliere vergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat door de wetswijziging van 20 juli 2015 artikel 30 van Pro de Vw 2000 was aangepast en dat het oude rechtspraakkader over procesbelang niet langer passend was.
De Afdeling oordeelde dat een vreemdeling wel degelijk belang kan hebben bij een procedure over de weigering van een verblijfsvergunning asiel, ook als hij al een verblijfsvergunning regulier heeft. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 501,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.