ECLI:NL:RVS:2018:3628

Raad van State

Datum uitspraak
7 november 2018
Publicatiedatum
7 november 2018
Zaaknummer
201803786/1/V6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Uitvoeringsbesluit RemigratiewetArt. 6 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering remigratievoorzieningen wegens niet voldoen aan WWB-vereiste

Bij besluiten van 16 juni 2016 heeft de raad van bestuur de remigratievoorzieningen toegekend aan appellant ingetrokken en een bedrag van € 15.971,45 teruggevorderd, omdat appellant niet voldeed aan het vereiste van minimaal zes maanden WWB-uitkering voorafgaand aan de aanvraag. Het dagelijks bestuur van het Werkplein Drentsche Aa had de WWB-uitkeringen met terugwerkende kracht ingetrokken.

Appellant betoogde dat de terugvordering onterecht was, dat hij aan zijn inlichtingenplicht had voldaan en dat de intrekking in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, alsmede met artikel 6 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak, omdat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de eerdere overwegingen niet zouden standhouden.

De Raad van State oordeelt dat de intrekking en terugvordering terecht zijn en dat het hoger beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de remigratievoorzieningen worden bevestigd.

Uitspraak

201803786/1/V6.
Datum uitspraak: 7 november 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2018 in zaak nr. 17/2291 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 16 juni 2016 heeft de raad van bestuur de remigratievoorzieningen die krachtens de Remigratiewet aan [appellant A] zijn toegekend, ingetrokken en een bedrag van € 15.971,45 teruggevorderd.
Bij besluit van 7 maart 2017 heeft de raad van bestuur het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2018, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door drs. W. van den Berg, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De raad van bestuur heeft de aan [appellant A] bij besluit van 12 februari 2014 toegekende remigratievoorzieningen met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd, omdat hij niet aan het vereiste als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet voldoet. In dit artikel was, voor zover van belang, opgenomen dat een remigrant ten minste zes maanden voorafgaand aan de aanvraag om remigratievoorzieningen een uitkering op basis van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) moet hebben ontvangen. De raad van bestuur heeft zich bij de besluitvorming gebaseerd op een besluit van het dagelijks bestuur van het Werkplein Drentsche Aa (hierna: het dagelijks bestuur) van 3 juni 2016, waarbij het dagelijks bestuur de WWB-uitkering van [appellant B] over de periode van 16 februari 2011 tot 25 juli 2012 en van [appellant A] en [appellant B] over de periode van 25 juli 2012 tot 5 augustus 2014 met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Verder heeft de raad van bestuur zich op het standpunt gesteld dat zich geen dringende redenen voordoen om van intrekking met terugwerkende kracht en terugvordering van de remigratievoorzieningen af te zien.
2.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad van bestuur de WWB-uitkering ten onrechte heeft teruggevorderd. Zij voeren aan dat zij aan de inlichtingenverplichtingen hebben voldaan en zij hebben geen vermogensbestandsdelen die aan hen toebehoorden verzwegen. De raad van bestuur volgt volgens [appellant A] en [appellant B] blindelings de redenering van het dagelijks bestuur, zonder rekening te houden met het verweer dat tegen de beslissing van het dagelijks bestuur is gevoerd. Verder betogen [appellant A] en [appellant B] dat uit het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel volgt dat herziening of intrekking van een uitkering niet is toegestaan indien dit kennelijk onredelijk is. De intrekking van de remigratievoorzieningen is zeer ingrijpend voor [appellant A] en [appellant B], want deze zijn hun enige bron van inkomsten en zonder deze inkomsten zijn zij genoodzaakt terug te keren naar Nederland. Voorts betogen [appellant A] en [appellant B] dat de intrekking en terugvordering van de remigratievoorzieningen in strijd is met artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
2.1.    Hetgeen [appellant A] en [appellant B] in het hogerberoepschrift aanvoeren, is een nagenoeg letterlijke herhaling van de gronden die zij in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank heeft op de beroepsgronden beslist en deze gemotiveerd weerlegd, waarbij zij tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 7 maart 2017 in rechte stand kan houden. [appellant A] en [appellant B] hebben in hoger beroep niet uiteengezet waarom de overwegingen van de rechtbank geen stand kunnen houden. Verder hebben zij onvoldoende gemotiveerd waarom de intrekking en terugvordering van de remigratievoorzieningen in strijd is met artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Reeds gelet hierop kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Oei
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018
670-876.