ECLI:NL:RVS:2018:3671
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand in toeslagherzieningszaak
De zaak betreft het hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de intrekking van een vergoeding door de Raad voor Rechtsbijstand. De vergoeding was verleend voor werkzaamheden op basis van een toevoeging in een bezwaarprocedure tegen de terugvordering van huurtoeslag 2013. Na steekproefsgewijze controle werd de vergoeding ingetrokken omdat de werkzaamheden zagen op een bezwaar tegen een herzieningsverzoek, waarvoor volgens het beleid geen vergoeding wordt toegekend.
De rechtbank had de intrekking bevestigd, stellende dat de zaak niet juridisch of feitelijk complex was en dat de rechtsbijstandverlener verantwoordelijk was voor het correct indienen van de toevoegingsaanvraag. Het beroep op het recht op toegang tot de rechter en het EVRM werd verworpen.
In hoger beroep betoogde de appellant dat het beleid niet van toepassing was op herzieningsverzoeken op grond van artikel 21a Awir en dat de zaak wel complex was vanwege wetstechnische aspecten. Ook stelde zij dat eerdere toevoegingen in soortgelijke zaken vertrouwen hadden gewekt. De Raad van State oordeelde dat het beleid wel degelijk van toepassing is, dat de complexiteit onvoldoende was aangetoond en dat het vertrouwen op eerdere steekproeven niet gerechtvaardigd was.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de vergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarprocedure tegen het herzieningsbesluit huurtoeslag wordt bevestigd.