ECLI:NL:RVS:2018:3673
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand bij niet-toevoegingswaardige herzieningsverzoeken toeslagzaken
De zaak betreft het hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de intrekking van een vergoeding voor verleende rechtsbijstand bij een herzieningsverzoek huurtoeslag over 2006. De Raad voor Rechtsbijstand had de vergoeding ingetrokken na een steekproefsgewijze controle, omdat de zaak niet voldeed aan de criteria voor toevoegingswaardigheid.
De rechtbank had de intrekking bevestigd en geoordeeld dat herzieningsverzoeken zoals bedoeld in artikel 21a van de Awir onder het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria vallen, waarbij toevoeging alleen wordt verleend bij juridische of feitelijke complexiteit. De rechtsbijstandverlener stelde dat de zaak wel complex was en dat eerdere steekproeven anders leken te wijzen.
De Raad van State oordeelt dat het convenant High Trust, dat is ondertekend door de rechtsbijstandverlener, uitgaat van wederzijds vertrouwen en dat de helpdesk geraadpleegd moet worden bij twijfel. De raad mocht de vergoeding intrekken omdat de helpdesk niet was geraadpleegd en de zaak niet complex was. Ook is het standpunt van de raad dat herzieningsverzoeken op grond van artikel 21a Awir onder het beleid vallen, redelijk.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de vergoeding voor rechtsbijstand bij het herzieningsverzoek huurtoeslag wordt bevestigd.