ECLI:NL:RVS:2018:3759
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot proceskostenvergoeding na onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning
De staatssecretaris trok de verblijfsvergunning van de vreemdeling in met ingang van 22 december 2015, gebaseerd op een melding van de echtgenote dat de relatie was verbroken. De vreemdeling maakte aannemelijk dat de relatie tot 3 mei 2016 voortduurde, waarop de staatssecretaris de ingangsdatum van de intrekking wijzigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de vreemdeling niet in de gelegenheid had gesteld zijn zienswijze te geven over de melding van de echtgenote, wat een aan de staatssecretaris te wijten onrechtmatigheid oplevert.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en het deel van de uitspraak vernietigd dat de staatssecretaris niet tot vergoeding van proceskosten veroordeelde. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt.