ECLI:NL:RVS:2018:3771
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 23 mei 2016 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na bezwaar en een tussenuitspraak van de rechtbank, verklaarde de rechtbank op 12 oktober 2018 het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van 1 februari 2018, waarbij de staatssecretaris het bezwaar ongegrond had verklaard. De rechtbank gaf de staatssecretaris zes weken om een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet hoefde te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank zolang het hoger beroep loopt. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aangevallen uitspraak niet strekt tot het verplicht verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €501,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.