ECLI:NL:RVS:2018:3791
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen omgevingsvergunning voor horeca en verkeer in strijd met bestemmingsplan Goese Polder
Het college van burgemeester en wethouders van Goes verleende op 16 februari 2017 een omgevingsvergunning eerste fase aan De Goese Poort B.V. voor het gebruik van een perceel in Goes voor een groot Aziatisch restaurant en verkeer, in strijd met het bestemmingsplan "Goese Polder". De vergunninghouder wil een drie verdiepingen tellend gebouw realiseren met een bruto vloeroppervlak van 5.787 m2, inclusief een restaurant met 650 zitplaatsen, een terras met 300 zitplaatsen en een dakterras voor recepties.
[Appellant], wonend nabij het perceel, stelde beroep in tegen de vergunning wegens onder meer overlast en verkeersaantrekkende werking. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat appellant wel belanghebbende is, gelet op de nabijheid, zicht op het gebouw, verkeersbewegingen en geluidsoverlast.
De Afdeling behandelde vervolgens de beroepsgronden inhoudelijk en oordeelde dat het college de vergunning terecht had verleend. De gemeenteraad hoefde geen verklaring van geen bedenkingen te geven, omdat het project onder een door de raad aangewezen categorie viel. Ook was een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet vereist. De vergunning omvatte ook een verblijfsruimte voor tijdelijke werknemers, wat onderdeel was van de aanvraag. De vergunning voldeed aan de ladder voor duurzame verstedelijking en het akoestisch onderzoek toonde geen onaanvaardbare geluidhinder aan.
Het betoog over stem- en muzieklawaai faalde, evenals de bezwaren tegen de verblijfsruimte en het ontbreken van een stedenbouwkundig plan. Het betoog over alternatieve locaties werd niet in behandeling genomen wegens strijd met de goede procesorde. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning eerste fase blijft in stand.