ECLI:NL:RVS:2018:3807
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende bewijs gewerkte uren en kosten
Appellant ontving in 2016 voorschotten kinderopvangtoeslag, maar de Belastingdienst stelde deze bij besluit van 30 december 2016 vast op nihil wegens onvoldoende bewijs van het aantal gewerkte uren en betaling van opvangkosten. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zij voldoende uren had gewerkt en dat eerdere toekenningen recht gaven op vertrouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte het aantal gewerkte uren onvoldoende had vastgesteld en dat zij erop mocht vertrouwen dat haar urenoverzichten correct waren. De Raad van State oordeelde dat de door appellant overgelegde stukken, waaronder urenregistraties en facturen, onvoldoende en deels tegenstrijdig waren. Verklaringen van bedrijven werden niet als objectief bewijs geaccepteerd vanwege familierelaties. Ook het dagrooster en e-mails boden geen sluitend inzicht in het totaal aantal gewerkte uren.
Het vertrouwensbeginsel werd niet aangenomen omdat geen concrete en ondubbelzinnige toezegging was gedaan door een bevoegd persoon. Appellant had ook niet voldaan aan verzoeken om aanvullende bewijsstukken zoals een geldige Kamer van Koophandel-inschrijving en schriftelijke overeenkomsten. De Raad van State bevestigde daarom het besluit van de Belastingdienst en de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de kinderopvangtoeslag voor 2016 bevestigd.