ECLI:NL:RVS:2018:3872

Raad van State

Datum uitspraak
28 november 2018
Publicatiedatum
28 november 2018
Zaaknummer
201800746/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit omgevingsvergunning erfafscheiding ondanks geschil over perceelgrens

Het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet heeft een dwangsom opgelegd aan de vergunninghouder om een erfafscheiding te verwijderen of aan te passen omdat deze niet aan de voorschriften zou voldoen. Vervolgens verleende het college een omgevingsvergunning voor de reeds gerealiseerde erfafscheiding en trok het eerdere besluit in. De appellant, wonende op het aangrenzende perceel, stelde dat de erfafscheiding op zijn grond stond en betwistte de vergunning.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Raad van State overwoog dat de omgevingsvergunning betrekking heeft op de feitelijk gerealiseerde erfafscheiding en dat het college terecht het peil heeft vastgesteld vanaf de woning van de vergunninghouder, omdat het onduidelijk is of de erfafscheiding geheel op het perceel van de vergunninghouder staat. Eventuele privaatrechtelijke geschillen over eigendom van de grond zijn niet aan de bestuursrechter.

De Raad van State concludeert dat de erfafscheiding is gelegaliseerd en dat het college het eerdere besluit tot handhaving terecht heeft ingetrokken. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vergunninghouder vervalt, en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201800746/1/A1.
Datum uitspraak: 28 november 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Vierhouten, gemeente Nunspeet,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 december 2017 in zaak nr. 17/4759 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het college [vergunninghouder] onder oplegging van een dwangsom gelast om de erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Vierhouten (hierna: het perceel) te verwijderen of zodanig aan te passen dat deze voldoet aan de voorschriften voor het bouwen zonder vergunning.
Bij besluit van 7 april 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel verleend.
Bij besluit van 10 april 2017 heeft het college het besluit van 10 februari 2017 ingetrokken.
Bij besluit van 31 augustus 2017 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 7 april 2017 en 10 april 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten.
Bij uitspraak van 21 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[vergunninghouder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, het college, vertegenwoordigd door mr. E. Bouma en mr. M. Abdelkader Mohamed, en [vergunninghouder], zijn verschenen.
Overwegingen
1.    [appellant] woont op het perceel [locatie 2] te Vierhouten. Tussen zijn perceel en het perceel bevindt zich een erfafscheiding die toebehoort aan [vergunninghouder]. [appellant] verzet zich tegen de aanwezigheid van de erfafscheiding omdat die volgens hem is gebouwd op zijn grond.
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het onduidelijk is of de omgevingsvergunning is verleend voor de erfafscheiding zoals die feitelijk aanwezig is.
2.1.    In de aanvraag staat bij "aanvraagnaam" vermeld "gerealiseerde erfafscheiding". In de toelichting bij het onderdeel "bouwen" van de aanvraag staat dat het bouwwerk reeds is geplaatst. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee duidelijk dat de aanvraag betrekking heeft op de reeds gerealiseerde erfafscheiding. Derhalve heeft het college bij het besluit van 7 april 2017 een omgevingsvergunning verleend voor de erfafscheiding zoals die feitelijk aanwezig is.
Het betoog faalt.
3.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college het peil op een onjuiste manier heeft vastgesteld door te meten vanaf het peil van de woning en de mantelzorgwoning op het perceel van [vergunninghouder]. Volgens [appellant] is de erfafscheiding gelegen op zijn perceel, zodat de hoogte van de erfafscheiding gemeten had moeten worden vanaf het peil van zijn woning.
3.1.    Tussen [appellant] en [vergunninghouder] is in geschil op wiens perceel de erfafscheiding staat. Ter zitting heeft [vergunninghouder] gemotiveerd uiteengezet dat, voor zover de erfafscheiding de perceelgrens aan de achterzijde voor een gedeelte overschrijdt, hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de grond waarop de erfafscheiding zich bevindt. Dit betreft echter een privaatrechtelijke kwestie die bij de burgerlijke rechter aan de orde kan worden gesteld. Op grond van de door [appellant] overgelegde stukken is niet evident dat de erfafscheiding niet of niet geheel op het perceel van [vergunninghouder], maar op zijn perceel is gelegen. Aangezien de erfafscheiding voorts is bedoeld ter afscheiding van het perceel van [vergunninghouder], heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in dit geval voor de vaststelling van het peil mocht aansluiten bij het peil van de woning en mantelzorgwoning van [vergunninghouder].
Het betoog faalt.
4.    Aangezien het college de omgevingsvergunning heeft verleend voor de gerealiseerde erfafscheiding, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de erfafscheiding is gelegaliseerd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het besluit van 10 februari 2017 niet heeft kunnen intrekken.
5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.    Nu de Afdeling heeft geoordeeld dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep ongegrond is, is de voorwaarde waaronder [vergunninghouder] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep komen te vervallen.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Wortmann    w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018
457-884.