ECLI:NL:RVS:2018:393
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C. Kranenburg
- F.D. van Heijningen
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom wegens onjuiste stikstofrendementseis luchtwasser
De zaak betreft een geschil tussen appellanten en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant over een last onder dwangsom en de invordering daarvan. Het college had een dwangsom opgelegd omdat de luchtwasser in stal 1 van de inrichting niet voldeed aan het streefrendement van 85% zoals vereist in de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord Brabant 2013.
De appellanten hadden een luchtwasser van het type BWL.2009.21 geïnstalleerd met een rendement van 70%, waarvoor in 2011 een omgevingsvergunning was aangevraagd. Het college stelde dat de stal als nieuw moest worden beschouwd en daarom aan de hogere rendementseis moest voldoen. De Afdeling oordeelde echter dat de Verordening 2013 pas in 2013 in werking trad en dat op het moment van de vergunningaanvraag in 2011 de hogere rendementseis nog niet gold.
Daarom kon het college niet handhavend optreden op basis van artikel 3 van Pro de Verordening 2013. De opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan werden vernietigd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de appellanten.
De Afdeling benadrukte dat de handhaving alleen kan plaatsvinden op basis van de regelgeving die gold op het moment van de vergunningaanvraag, en dat het college ten onrechte een hogere eis had gesteld. De overige beroepsgronden werden niet behandeld omdat het beroep gegrond werd verklaard op deze grond.
Uitkomst: De last onder dwangsom en de invordering worden vernietigd en herroepen wegens het ontbreken van een toepasselijke rendementseis.