ECLI:NL:RVS:2018:3941
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag kindgebonden budget wegens ontbreken kinderbijslagrecht
Appellante heeft samen met haar ex-partner twee minderjarige kinderen die volgens een omgangsregeling gelijk verdeeld worden verzorgd. Zij vroeg kindgebonden budget aan voor 2014, maar de Belastingdienst wees dit af omdat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) haar niet als aanvrager van kinderbijslag had geregistreerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het recht op kindgebonden budget gekoppeld is aan het recht op kinderbijslag, dat alleen aan één ouder wordt toegekend op basis van wie de hoogste bijdrage in het onderhoud levert.
Appellante stelde dat zij door de late indiening van het verweerschrift niet adequaat kon reageren en dat de Belastingdienst haar aanvraag ten onrechte afwees voordat het SVB-besluit onherroepelijk was. De Raad van State verwierp deze bezwaren, omdat het verweerschrift geen nieuwe grondslag bevatte en de Belastingdienst had toegezegd het besluit te herzien indien de SVB haar alsnog als aanvrager zou erkennen.
De Raad van State bevestigde dat het recht op kindgebonden budget alleen toekomt aan de ouder die het kinderbijslagrecht feitelijk ontvangt, conform artikel 2 van Pro de Wet op het kindgebonden budget en artikel 18 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet. Omdat de SVB het kinderbijslagrecht aan de ex-partner toekent en alleen de uitbetaling aan appellante plaatsvindt, heeft appellante geen recht op kindgebonden budget. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag kindgebonden budget omdat appellante niet als aanvrager van kinderbijslag staat geregistreerd.