ECLI:NL:RVS:2018:397
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens schulddelict
Op 14 juni 2013 werd appellant in zijn rug geschoten tijdens een schietincident, waarbij hij ernstig lichamelijk letsel opliep, waaronder een dwarslaesie. Appellant vroeg een uitkering aan bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG), maar deze werd op 10 december 2015 afgewezen omdat volgens het onherroepelijke vonnis van de strafrechter het incident het gevolg was van een schulddelict en niet van een opzettelijk geweldsmisdrijf.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het vonnis van de strafrechter als bindend had beschouwd en dat de CSG de feiten opnieuw had moeten onderzoeken, met name of sprake was van voorwaardelijk opzet. Ook voerde hij aan dat bijzondere omstandigheden toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden.
De Raad van State oordeelde dat de CSG terecht het vonnis en strafdossier als uitgangspunt had genomen en niet verplicht was een nieuw feitenonderzoek te doen. Het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die een afwijking rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds bevestigd.