ECLI:NL:RVS:2018:399
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering huurtoeslag over begin 2016 wegens onvoldoende bewijs huurbetaling
Appellant huurde een woning en ontving voor 2015 en 2016 voorschotten huurtoeslag. De Belastingdienst stelde de voorschotten per 2016 op nihil wegens onvoldoende bewijs van huurbetaling. Appellant voerde aan dat zij de huur contant had voldaan en beriep zich op het vertrouwensbeginsel vanwege eerdere toeslagtoekenningen.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde verklaring van de verhuurder onvoldoende was, mede omdat deze familie was, en dat het vertrouwen uit eerdere toeslagjaren niet strekte tot 2016. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de huurkosten daadwerkelijk zijn betaald, mede door het ontbreken van kwitanties of objectieve bewijsstukken.
Verder is het vertrouwensbeginsel niet van toepassing omdat er geen concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan door de Belastingdienst dat dezelfde toeslagtoekenning voor 2016 zou gelden. De eerdere toekenningen zijn per jaar beoordeeld en er is geen bewijs dat de huurbetalingen destijds zijn gecontroleerd of goedgekeurd.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van huurtoeslag over januari tot en met april 2016 bevestigd.