ECLI:NL:RVS:2018:4053
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor brug nabij Bodegraven wegens aantasting landschapswaarden
Appellant, eigenaar van een perceel landbouwgrond nabij Bodegraven, verzocht om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een brug over de rivier de Meije om zijn perceel te ontsluiten. Het college weigerde de vergunning omdat het project in strijd was met het bestemmingsplan en zou leiden tot een onevenredige aantasting van de landschaps- en ruimtelijke waarden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de belangenafweging terecht had gemaakt, waarbij het algemene belang van landschapsbehoud zwaarder woog dan het individuele belang van appellant. Appellant stelde in hoger beroep dat het college onredelijk had gehandeld, dat hem toezeggingen waren gedaan en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college niet verantwoordelijk is voor privaatrechtelijke problemen omtrent toegang via een bestaande brug en dat er geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan die het vertrouwensbeginsel konden rechtvaardigen. Ook werd geoordeeld dat het besluit niet in strijd is met het eigendomsrecht zoals beschermd in het EVRM. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning wordt bevestigd.