ECLI:NL:RVS:2018:4119
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 juni 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 12 oktober 2018 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het vonnis van de rechtbank voorlopig niet uitgevoerd hoeft te worden. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening geen verdere strekking had dan het opschorten van de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Gelet op de belangen van beide partijen zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De uitspraak van de rechtbank verplicht de staatssecretaris niet tot het verlenen van de vergunning en uitvoering leidt niet tot onherstelbare gevolgen of onevenredige inspanning.
Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, een bedrag van €501,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.