ECLI:NL:RVS:2018:4233
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag
De staatssecretaris heeft bij besluit van 13 maart 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit terecht was genomen, met name vanwege de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de rechtsvraag omtrent de toepassing van artikel 4:6 Awb Pro reeds was beantwoord in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:3504). De rechtbank had niet onderkend dat het besluit van 13 maart 2018 een gebrek vertoonde door onjuiste toepassing van dit artikel. Echter, de Afdeling achtte niet aannemelijk dat de vreemdeling hierdoor benadeeld was, mede omdat de staatssecretaris ook inhoudelijk had getoetst op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De tweede grief van de vreemdeling gaf geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ad € 1.503,00.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.