ECLI:NL:RVS:2018:4252
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en herziening kinderopvangtoeslag 2014 met terugvordering en proceskostenveroordeling
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland inzake de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2014 door de Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank had het beroep tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 9 juni 2017 ongegrond.
Appellante betoogde dat zij wel belang had bij het beroep tegen de eerdere besluiten vanwege een verzoek om proceskostenvergoeding en dat de Belastingdienst onjuist had gerekend met de uren kinderopvang, mede gelet op ouderschapsverlof. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het besluit van 16 mei 2017 niet-ontvankelijk had verklaard en verklaarde dit beroep alsnog ongegrond.
Verder bevestigde de Afdeling dat de Belastingdienst terecht geen toeslag toekent voor de 6,5 uren kinderopvang per maand boven het maximum van 230 uur. De toelichting op het Besluit kinderopvangtoeslag en de website van de Belastingdienst bieden geen grond voor compensatie van deze uren over het jaar heen.
Ten slotte werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.002 en het griffierecht van € 253 aan appellante. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 16 mei 2017 wordt ontvankelijk verklaard en ongegrond, en de Belastingdienst wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.