ECLI:NL:RVS:2018:4257
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbendheid bij vergunningverlening fietsenstalling in Langenboom
Het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert verleende op 19 januari 2017 een omgevingsvergunning voor het realiseren van een fietsenstalling op een perceel te Langenboom. Appellant, eigenaar van een nabijgelegen perceel en woonachtig op een ander perceel in de buurt, maakte bezwaar tegen de vergunningverlening. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid, een oordeel dat door de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij geen belanghebbende was, onder meer omdat de afstand tussen zijn woning en de fietsenstalling kleiner zou zijn dan door het college gesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat zelfs bij de door appellant genoemde afstand geen sprake was van belanghebbendheid, omdat de fietsenstalling vanuit zijn woning niet zichtbaar is en het gebruik van een naastgelegen uitrit niet wordt belemmerd.
Verder achtte de Afdeling het niet aannemelijk dat de fietsenstalling een verkeersonveilige situatie zou veroorzaken. Omdat appellant geen belanghebbende is, kon de Afdeling niet ingaan op de overige inhoudelijke bezwaren tegen de vergunningverlening. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen belanghebbende is bij de vergunningverlening.