ECLI:NL:RVS:2018:4276

Raad van State

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
27 december 2018
Zaaknummer
201802186/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing zaak sluiting pand wegens faciliteren zware criminaliteit

De burgemeester van Schiedam heeft op 8 maart 2017 besloten tot onbepaalde sluiting van een pand dat door de vennootschap werd gehuurd, omdat het pand werd gebruikt om zware criminaliteit te faciliteren. De vennootschap maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, omdat de huurovereenkomst per 28 juni 2017 was beëindigd en het vestigingsadres was verplaatst.

De vennootschap stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk belang had bij de beoordeling van het beroep, omdat zij door de sluiting imagoschade, financiële schade en verhuiskosten had geleden. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het bezoekadres na het besluit was verplaatst binnen Schiedam en achtte aannemelijk dat de vennootschap verhuiskosten had gemaakt en imagoschade had geleden, mede door het aanbrengen van een sluitingsplakkaat.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en verklaarde het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vennootschap.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

201802186/1/A3.
Datum uitspraak: 27 december 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2018 in zaak nr. 17/4182 in het geding tussen:
de vennootschap
en
de burgemeester van Schiedam.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2017 heeft de burgemeester de sluiting voor onbepaalde tijd bevolen van het pand aan de [locatie] te Schiedam (hierna: het pand).
Bij besluit van 12 juni 2017 heeft de burgemeester het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vennootschap ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2018, waar de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. I.A. Kamans, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Bijlsma, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    De vennootschap heeft als bedrijfsactiviteit de operational lease van personenauto's en lichte bedrijfsauto's. Zij was huurder van het pand en gebruikte het als haar bezoekadres. Bij brief van 20 januari 2017 heeft de burgemeester de vennootschap in kennis gesteld van zijn voornemen om het pand voor onbepaalde tijd te sluiten. Hieraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de vennootschap zware criminaliteit faciliteert door het pand als ontmoetingsplaats voor zware criminelen te laten gebruiken en voertuigen, waaronder voertuigen met verborgen ruimten, aan hen te verhuren. Bij het besluit van 8 maart 2017 heeft de burgemeester de sluiting bevolen. Dit besluit heeft hij bij het besluit van 12 juni 2017 gehandhaafd onder verwijzing naar een advies van de bezwaarschriftencommissie van 22 mei 2017.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om het door de vennootschap tegen het besluit van 12 juni 2017 ingesteld beroep, wegens het ontbreken van belang bij de beoordeling ervan, niet-ontvankelijk te verklaren. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat per 28 juni 2017 de huur van het pand is beëindigd en het vestigingsadres van de vennootschap naar Capelle aan den IJssel is verplaatst.
2.    De vennootschap betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens haar had zij belang bij de beoordeling ervan omdat zij door de sluiting imagoschade en financiële schade heeft geleden. Deze schade bestond uit het enige tijd niet kunnen gebruiken van het pand terwijl de huurovereenkomst doorliep, het maken van kosten ten behoeve van de verhuizing van het bedrijf en het verlies van klanten, aldus de vennootschap.
2.1.    Belang bij de beoordeling van een beroep bestaat indien de betrokkene stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij de schade daadwerkelijk en als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden.
Ter zitting van de Afdeling is komen vast te staan dat het bezoekadres van de vennootschap na het nemen van het besluit van 12 juni 2017 is verplaatst naar een adres in Schiedam. De Afdeling acht, gelet op de door de vennootschap ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting, tot op zekere hoogte aannemelijk dat de vennootschap hierdoor verhuiskosten heeft gemaakt. Voorts acht de Afdeling tot op zekere hoogte aannemelijk dat de vennootschap door de sluiting van het pand imagoschade heeft geleden en dat de sluiting een negatieve invloed op het aantal klanten van de vennootschap heeft gehad. Hierbij is van belang dat de sluiting, zoals de burgemeester ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, gepaard is gegaan met het aanbrengen van een plakkaat met de mededeling dat het pand op last van de burgemeester is gesloten.
De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de vennootschap geen belang bij de beoordeling van het beroep heeft.
Het betoog slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
4.    De burgemeester moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2018 in zaak nr. 17/4182;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    veroordeelt de burgemeester van Schiedam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    gelast dat de burgemeester van Schiedam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Hartsuiker
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018
620.