ECLI:NL:RVS:2018:4283
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand voor bedrijfsmatig geschil
Appellant, eigenaar van een café dat waterschade heeft geleden, vroeg om toevoegingen voor gesubsidieerde rechtsbijstand voor procedures tegen verzekeraar en verhuurder. De raad wees deze aanvragen af omdat het geschil betrekking had op een zelfstandig bedrijf en niet voldeed aan de uitzonderingen in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn bedrijf afhankelijk was van het resultaat van de rechtsbijstand en dat hij zijn onderneming had moeten sluiten. Hij overhandigde nieuwe financiële stukken waaruit een lager bedrijfsresultaat bleek dan eerder was ingediend.
De Raad van State oordeelde dat de nieuwe stukken zonder toelichting niet overtuigend waren en dat de eerdere stukken, opgesteld door een boekhouder op basis van door appellant verstrekte gegevens, betrouwbaarder waren. Het netto resultaat was hoger dan de inkomensgrens, waardoor geen sprake was van een bedrijfsbedreigend geschil. Ook de tweede uitzondering was niet van toepassing omdat de onderneming niet was beëindigd.
De psychische problemen van appellant werden niet als relevante omstandigheid beschouwd. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand wegens het ontbreken van een bedrijfsbedreigend geschil.