ECLI:NL:RVS:2018:4287
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom en invordering Jaarverantwoording Zorg 2016
Zorg en Welzijn werd door de minister Zorg en Welzijn bij besluit van 16 augustus 2017 verplicht binnen vier weken de Jaarverantwoording Zorg over 2016 aan te leveren, onder dreiging van een dwangsom van €1.000 per week tot maximaal €10.000. Omdat de stukken niet tijdig werden aangeleverd, werd de dwangsom van €10.000 op 8 december 2017 ingevorderd. Zorg en Welzijn maakte bezwaar en stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals de overgang van een eenmanszaak naar een BV en fouten van de voormalige boekhouder, het niet tijdig aanleveren rechtvaardigden. Ook stelde zij dat de dwangsom onredelijk was en dat zij extra kosten had gemaakt om de administratie alsnog op orde te krijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom en dat Zorg en Welzijn onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig alles had gedaan om aan de verplichting te voldoen. Het niet tijdig aanvragen van uitstel en het ontbreken van een zienswijze op het voornemen tot last onder dwangsom waren voor rekening en risico van Zorg en Welzijn. De financiële problemen en extra kosten van Zorg en Welzijn vormden geen bijzondere omstandigheden die afzien van handhaving rechtvaardigden.
De invordering van de dwangsom werd eveneens bevestigd, omdat het belang van invordering zwaarwegend is en geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die tot matiging of kwijtschelding konden leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van Zorg en Welzijn wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en invordering blijven gehandhaafd.