ECLI:NL:RVS:2018:4289
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding kosten rechtsbijstand na toevoegingsaanvraag
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin het beroep ongegrond werd verklaard tegen de afwijzing van een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.
Appellant had een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor hoger beroep tegen een sanctiebeslissing. De Raad voor Rechtsbijstand wees deze aanvankelijk af wegens gebrek aan kans van slagen, maar kende de toevoeging later alsnog toe. De vergoeding van kosten voor de bezwaarprocedure werd echter afgewezen omdat het oorspronkelijke besluit niet onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat de Raad niet verplicht was appellant te horen en dat het verzoek om vergoeding terecht was afgewezen. Appellant voerde aan dat de Raad onzorgvuldig had gehandeld en dat hij op grond van de Awb gehoord had moeten worden, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad voor Rechtsbijstand had terecht de aanvraag afgewezen op grond van onvoldoende onderbouwing van de kans van slagen. Het bezwaar tegen dit besluit leidde niet tot onrechtmatigheid en de vergoeding van kosten werd daarom terecht geweigerd.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.